Herinneringen aan mijn eerste pleidooi: “Ik persisteer"

In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Onno Hennis, advocaat bij AMS Advocaten: “Ik had tijdens de zitting geen last van zenuwen, maar de emotie van die mannen deed mij wel wat. Ik besefte dat mijn ‘ik persisteer’ een grote impact had: twee woorden, en iemand gaat failliet.”

Door Ronne Theunis

Onno Hennis
Ondernemingsrechtadvocaat bij AMS Advocaten
Beëdigingsdatum: 1 februari 2010

De zaak
“Drie weken nadat ik in 2010 begon bij De Brauw Blackstone Westbroek, stond ik voor het eerst in de rechtszaal. Mijn cliënte was een werknemer die al ruim een maand geen salaris had gekregen. Ze werkte bij een mkb-bedrijf met een tiental collega’s, die ook niet waren uitbetaald. Niemand wist precies wat er aan de hand was. De twee oprichters en directeuren beloofden steeds dat het geld de volgende week zou komen, maar dan ontving mijn cliënte weer niets, of slechts een klein deel.

Ik heb de werkgever – als ik het me goed herinner – eerst nog wel een brief gestuurd, met het verzoek om nog diezelfde dag het salaris te betalen. Toen dat, uiteraard, niet gebeurde, koos ik voor een effectief pressiemiddel: namens mijn cliënte vroeg ik het faillissement van haar werkgever aan.

Die call mocht ik destijds zelf maken. Ik was alle juridische vereisten voor een faillissementsaanvraag afgegaan en had op basis daarvan het verzoek ingediend. Daarbij kreeg ik wel begeleiding vanuit kantoor, maar ik vond de zaak niet al te ingewikkeld. Het was, naar mijn idee, een vrij duidelijke situatie: deze onderneming zat in zwaar weer en faillissement was voor alle partijen de beste oplossing.”

Het pleidooi
“De rechtbank Amsterdam behandelt op dinsdagmiddag achter elkaar alle faillissementsaanvragen van die week. Je krijgt vooraf geen tijd te horen, dus ik moest daar de hele middag wachten tot de zaak opgeroepen zou worden. Gezien het soort zaken hangt in de wachtkamer logischerwijs niet echt een gezellige sfeer.

Over het algemeen zijn faillissementszittingen verstekzittingen, daar ging ik in ieder geval vanuit. Maar tot mijn verbazing kwamen de oprichters toch opdagen. Dat voelde wel een beetje ongemakkelijk: twee mannen van tegen de vijftig en ik als advocaat van vijfentwintig – nog nat achter de oren – die hun onderneming wilde ‘opdoeken’.

Ik had me wel voorbereid op onverwachte wendingen: misschien kwam er tijdens de zitting bijvoorbeeld toch ineens geld op tafel. Daar wilde ik dan wel adequaat op kunnen reageren. Ik had daar niet echt met iemand over overlegd en er ging ook niemand van kantoor mee naar de rechtbank. Dat vond ik wel best: ik was niet bang dat er iets mis zou gaan.

In mijn verzoekschrift had ik al uiteengezet waarom een faillissementsaanvraag onvermijdelijk was. Als verzoeker hoefde ik daarom tijdens de zitting niet meer echt te pleiten, ik volhardde immers in mijn verzoek. Mijn eerste en enige – nogal archaïsche – woorden in de rechtbank waren dan ook ‘Ik persisteer’.”

Ziel en zaligheid
“Daarna kwamen de twee werkgevers aan het woord. In tranen deden ze hun verhaal: vol enthousiasme hadden ze samen hun onderneming opgericht en jarenlang liep dat heel goed. Maar nu ging het bergafwaarts en ze wisten niet wat ze eraan konden doen. Hun ziel en zaligheid zat in het bedrijf en nu glipte het ze door de vingers. Ze wilden hun onderneming graag voortzetten, maar realiseerden zich ook dat ze dan wel hun werknemers moesten kunnen uitbetalen. Uiteindelijk heeft de rechter inderdaad hun faillissement uitgesproken.

Ik had tijdens de zitting geen last van zenuwen, maar de emotie van die mannen deed mij wel wat. Ik besefte dat mijn ‘ik persisteer’ een grote impact had: twee woorden, en iemand gaat failliet. Dat is voor de ondernemers een enorme klap en dat zag ik nu van dichtbij gebeuren. Toch vond ik het vooral ook mooi om te zien dat het Nederlands rechtssysteem zo werkt: door een faillissementsverklaring worden slechtlopende ondernemingen ‘opgeruimd’ en voorkom je dat er nog meer mensen financieel benadeeld worden.

De twee oprichters kwamen na afloop van de zitting nog naar me toe, dat vond ik heel sportief. Ik weet niet meer precies wat ze zeiden, maar het was goed om het zo af te kunnen sluiten.”

De evaluatie
“Ik was tevreden met het verloop van de zitting en mijn cliënte was uiteraard ook blij met de uitspraak. Het was triest dat ze haar baan kwijtraakte, maar in dit soort situaties biedt het UWV goede regelingen.

In mijn huidige praktijk doe ik nog regelmatig faillissementsaanvragen en eigenlijk sta ik daar nog hetzelfde in. Zo’n aanvraag kan een vrij effectieve incassomethode zijn en als een onderneming onder water staat, is het vaak voor alle betrokkenen een opluchting als iemand daar de stekker uittrekt.”

Goede uitsmijter
“Inmiddels heb ik ook ruime ervaring met langere pleidooien. Pleiten heb ik vooral in de praktijk geleerd: het gaat om vlieguren maken. De rechters in Nederland zijn over het algemeen heel kundig, en met name voorzieningenrechters zijn ontzettend goed voorbereid. Daarom is het belangrijk om tijdens je pleidooi niet in herhaling te vallen en goed te luisteren naar de rechter en de advocaat van de wederpartij.

Pleiten is iets heel anders dan schrijven, performance is een belangrijk element van je verhaal. En het mooiste is natuurlijk als je in de tweede termijn een goede uitsmijter hebt.”

Levendige herinneringen aan uw eigen eerste pleidooi? Laat het ons weten! 

    | Mail de redactie | Print